Blog

Akkerranden met bloeiende kruiden, grassen en zomergranen worden sinds de jaren ‘90 ingezet om biodiversiteitsverlies in akkerbouwgebieden tegen te gaan.

Met name wetenschappers uit het Verenigd Koninkrijk doen onderzoek naar de effectiviteit van deze randen. De groep van Dave Goulson beschreef onlangs in een alarmerend artikel dat akkerranden onbedoeld een negatief effect op bijen kunnen hebben.

De komende weken zullen honderden boeren, voornamelijk onder regie van de agrarische collectieven in Nederland, weer bloemrijke akkerranden inzaaien. Deze akkerranden dienen tal van vaak hybride doelen (zie het interessante overzicht (pdf; 1,1 MB) van Merijn Bos en collega’s) en worden ingezaaid met onder meer klavers, korenbloemen en andere bloeiers die voor bijen en nectarzoekende insecten van grote betekenis zijn.

In onze vaak steriele agrolandschappen zijn bloeiende kruiden geen overbodige luxe, en naast een potentieel nut voor insecten en akkervogels als patrijs, kwartel, veldleeuwerik en gele kwikstaart wil het oog ook wat. Achter deze idylle schuilt echter een weerbarstige waarheid.

Uit de publicatie van bijenexpert Goulson en collega’s blijkt dat het hard nodig is om met gezonde argwaan naar het beheer van akkerranden te kijken en in ieder geval scherper in de gaten houden waar we deze maatregelen eigenlijk voor nodig hebben.

klik hier voor het volledige artikel

Stichtingscoördinator Eric van Oijen is naast zijn activiteiten voor Food4Bees bezig met de omschakeling naar gecertificeerd biologisch imker. Toon van den Oord, eveneens van Food4Bees, zal ook in het voorjaar van 2016 omgeschakeld zijn en behoren tot de eersten in Nederland.

Vara’s Vroege Vogels radio heeft Eric van Oijen hierover geïnterviewd en dit is uitgezonden op zondag 14 februari.

Het interview is na te luisteren op de website van Vroege Vogels:
klik hier om te luisteren naar de radio uitzending

15-feb-2016 – Biodiversiteit in Europa staat onder druk.

Het Europese Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) geeft aan dat op een deel van de landbouwgrond natuur een belangrijke functie moet krijgen om verdere achteruitgang te stoppen. Tot dusverre is dit beleid niet succesvol geweest. Een recente studie van Wageningen Universiteit geeft aan dat maatwerk nodig is.
Bloemrijke, natuurlijke stroken zijn belangrijk voor biodiversiteit in akkergebied (Bron: Kars Veling)Menselijke activiteiten en economische ontwikkeling hebben geleid tot verandering, vernietiging en fragmentatie van de natuurlijke leefomgeving wereldwijd.

Hierdoor is er sprake van een sterke achteruitgang van de biodiversiteit. Dit is met name het geval in agrarische gebieden in Europa, waar de landbouw sterk is geïntensiveerd. De Europese Unie erkent dit en in het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is, na lange discussies, uiteindelijk besloten dat 5% van de landbouwgrond ecologisch aandachtsgebied moet worden om zo biodiversiteit te behouden en tegelijkertijd ecosysteemdiensten als bestuiving en plaagbestrijding door natuurlijke vijanden te bevorderen.

Bij een herziening zal het oppervlaktepercentage wellicht worden verhoogd tot 7%. Om te achterhalen of dat voldoende is om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen hebben onderzoekers van Wageningen Universiteit en particuliere soortorganisaties gekeken naar de aanwezigheid van natuurlijke elementen in het agrarisch gebied in Nederland in relatie tot de soortenrijkdom van planten en dieren die in landbouwgebieden voorkomen.

Icarusblauwtje kan prima in agrarisch gebied overleven als er maar natuurlijke stroken zijn (Bron: Kars Veling)De onderzoekers hadden de beschikking over een gedetailleerde kaart van Nederland met alle natuurlijk elementen en zeer nauwkeurige verspreidingsgegevens van vaatplanten en  dagvlinders, vanuit de Nationale databank Flora en Fauna (NDFF), van zweefvliegen en sprinkhanen uit de European Invertebrate Survey database en gegevens van het meetnet broedvogels. Bij elkaar gaat het om miljoenen waarnemingen, verzameld door professionals, maar vooral door vele duizenden vrijwilligers. Nederland is een van de best onderzochte landen als het om biodiversiteit gaat. Anouk Cormont van Wageningen UR, die het onderzoek leidde: “We hebben voor het eerst voor een heel land kunnen evalueren welke invloed de dichtheid aan natuurlijke elementen heeft op soortenrijkdom. De gebruikte soortgroepen zijn ecologisch erg verschillend en daarmee hebben we een uitstekend beeld gekregen.” Landschappen met 3 tot 7% natuurlijke elementen hadden 37 tot 75% van de maximaal mogelijke soortenrijkdom. Maar er was een groot verschil tussen de natuurelementen, tussen landschapstypen en bovendien bleken soortgroepen verschillend te reageren.

Ook in weidegebieden zijn natuurlijke stroken van belang (Bron: Kars Veling)Voor planten en insecten bleken vooral lijnvormige elementen een positieve bijdrage te leveren aan de soortenrijkdom. Bij heggen, greppels en wateroevers bleek de toename sterker dan bij niet-lijnvormige elementen. Bij vlinders bleek een duidelijk verschil op te treden per type landschap (fysisch geografische regio’s). Bij een toename van natuurlijke elementen van 3 tot 7% nam het aantal soorten het sterkst toe in het Limburgse Heuvelland en in het rivierengebied.

Conclusie is dat er niet een standaardoppervlaktemaat voor biodiversiteit is die in heel Europa toegepast kan worden. Het is nadrukkelijk een kwestie van maatwerk. Zo zou in bepaalde gebieden meer dan 7% van het akkerland moeten worden aangewezen, terwijl in andere gebieden een kleiner percentage kan volstaan. Het is zaak hierbij de meest gevoelige groep als graadmeter te nemen en nadrukkelijk op regionaal niveau uit te werken. Vlinders scoren daarbij goed: ze reageren sterk op een kleine toename van natuurlijke elementen in agrarisch landschappen, net als vogels, maar bij vlinders is het gevonden verband het sterkst.

Tekst: Kars Veling & Michiel Wallis de Vries, De Vlinderstichting

Klik hier om naar het origineel bericht te gaan

 

Opvallende ontdekking: grote bijensoorten worden steeds kleiner
Wageningen University
15-feb-2016 –

Bij onderzoek naar de oorzaken van het afnemen van de bijenpopulaties is een verrassende ontdekking gedaan. De vrouwtjes van grote bijensoorten zoals de aardhommel zijn gedurende de afgelopen eeuw in Nederland significant kleiner geworden. De oorzaak lijkt te zitten in de wijze waarop bijen voor hun nageslacht zorgen.
Al in 2014 publiceerden Jeroen Scheper en David Kleijn met collega’s een onderzoek naar de oorzaak van de achteruitgang van bijenpopulaties aan de hand van bijenverzamelingen in museumcollecties. Aan de hand van achtergebleven stuifmeel op die ‘historische’ bijen konden de onderzoekers bepalen op welke waardplanten zij vlogen. Daaruit bleek dat de populatietrend van de waardplanten voor een belangrijk deel de populatietrend van de bijbehorende bijensoorten bepaalt. De voorkeursplanten van achteruitgaande bijensoorten bleken in de loop der tijden ook achteruit te zijn gegaan, en de voorkeursplanten van vooruitgaande bijensoorten waren juist vooruitgegaan.

Tevens constateerden ze toen dat grotere bijensoorten harder achteruit leken te zijn gegaan dan kleinere soorten. “Wellicht omdat zij meer voedsel nodig hebben en dus afhankelijk zijn van een groter bloemaanbod,” zo stelde Scheper in 2014. Dat zou er bij grote soorten toe kunnen leiden dat het voordeliger is om klein te zijn terwijl dat bij kleine soorten niet het geval is. Dit patroon wordt nu bevestigd in het huidige onderzoek. “Maar,” zegt David Kleijn, “dat geldt merkwaardig genoeg alleen voor de vrouwtjes, niet voor de mannetjes. Grote vrouwtjesbijen zijn in de laatste 130 jaar met ruim 8% in grootte gekrompen. De mannetjes niet.” Scheper en Kleijn vergelijken die waarneming met Nederlandse mannen, die in diezelfde 130 jaar zo’n 10% langer zijn geworden.

Naar de exacte oorzaak van de krimp van de grotere bijen, en de reden waarom dit alleen de vrouwtjes betreft, kunnen de onderzoekers alleen gissen. Maar het grote verschil in krimp tussen de beide sexen van de grote bijensoorten zal zeker verband houden met het voedselaanbod. David Kleijn: “Bekend is dat de vrouwtjes van de diverse bijensoorten de grootste behoefte hebben aan stuifmeel en nectar omdat zij ook de voedselvoorraden voor de bijenlarven aanleggen. Mannen houden zich daarmee niet bezig en hoeven dus alleen zichzelf te onderhouden. De verschillen in krimp lijken dus teruggevoerd te kunnen worden tot verschillen in de wijze waarop vrouwtjes en mannetjes voor hun nageslacht zorgen.”

Deze achteruitgang in grootte kan wel gevolgen hebben voor de bestuiving van onze landbouwgewassen, omdat grotere bijen over het algemeen effectievere bestuivers zijn. Uit eerder onderzoek van David Kleijn en Arjen de Groot bleek dat de bijdrage van wilde bijen aan de productiewaarde van fruit veel groter is dan gedacht. Voor appels en blauwe bessen bedraagt deze bijvoorbeeld jaarlijks duizenden euro’s per hectare. Alleen al voor de Elstar-appel komt dit voor heel Nederland neer op wel 16 tot 20 miljoen euro.

Tekst: Wageningen University

klik hier om naar het origineel artikel te gaan

 

 

Amerikaanse wetenschappers hebben onderzoek gedaan naar het aantal haren dat verschillende diersoorten op hun lichaam hebben.
Hommels blijken even harig te zijn als eekhoorns: op hun lichaam groeien gemiddeld ongeveer 3 miljoen haren. De vleugels van motten en vlinders bevatten zelfs 10 miljard haartjes.

De mechanismen waarmee deze dieren hun vacht schoonhouden, kunnen mogelijk leiden tot nieuwe technieken om robots en drones stofvrij te houden.

Dat melden de onderzoekers van de Universiteit van het Georgia Institute of Technology in het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Experimental Biology.

Warm
De wetenschappers voerden het onderzoek naar dierenvacht uit bij 27 zoogdieren en insecten, waaronder honden, hommels, bijen, motten, vlinders en eekhoorns. Ze brachten met de computer bij elk dier het aantal haren op een klein oppervlak in kaart en berekenden vervolgens hoeveel haren de totale vacht bevatte.

Het onderzoek ging echter niet alleen om het tellen van haren. De wetenschappers brachten ook in kaart hoe de onderzochte dieren hun vacht schoon houden.

“Deze dieren hebben in de loop van de evolutie waarschijnlijk haren gekregen om zich warm te kunnen houden, maar dat brengt ook een nadeel met zich mee”, verklaart hoofdonderzoeker David Hu op nieuwssite ScienceDaily. “Meer haren betekent meer oppervlak waar stof en vuil tussen kan gaan zitten.”

Schoon
De methodes warmee dieren zichzelf reinigen, blijken zeer uiteen te lopen.

“Honden schudden het water bijvoorbeeld van hun rug met snelle bewegingen en bijen gebruiken harige aanhangsels om stuifmeel uit hun ogen en van hun lichaam te wrijven”, aldus Hu. “Fruitvliegjes kunnen met hun haren vuil van hun lichaam katapulteren met snelheden die vijfhonderd keer zo groot zijn als de zwaartekracht van de aarde.”

Drones
Hu wil de schoonmaakmechanismen van de dieren uiteindelijk als inspiratie gebruiken bij het ontwikkelen van harige systemen waarmee apparaten kunnen worden beschermd tegen stof. “Denk aan drones en Marsrovers, die lopen vaak vast door opeenhopingen van stof.”

klik hier voor het origineel bericht

Rond de Piushaven zijn een flink aantal borden geplaatst die voorbijgangers er op wijzen dat het gebied speciaal is ingericht voor ‘bloembestuivende insecten’.

Met name bijen kunnen moeilijk aan voedsel komen in de stad. Om die reden zaaide de stadsimker vorig jaar nog illegaal terreinen in.

Om de insecten beter te voeden zijn nu drie delen aangewezen (het Piushavengebied, Terrein Watergemaal en Moerenburg) waar speciaal planten werden ingezaaid die a) voor fraaie bermen  zorgen en B) ook nog veel voeding voor de insecten leveren.

Het project werd mogelijk gemaakt door de stichting Food4Bees en de provincie.

Klik hier voor het origineel artikel

 

Bericht uitgegeven door EIS Kenniscentrum Insecten en Stichting Land van Wijk en Wouden op woensdag 4 november 2015

Slobkousbijen, tubebijen, tronkenbijen en asbijen. Dit is slechts een greep uit de 71 bijensoorten die in 2015 zijn gevonden in een deel van Zuid-Holland: het Land van Wijk en Wouden. Sommige ervan waren nog niet of nauwelijks uit Zuid-Holland bekend of zijn zelfs landelijk zeldzaam. Verrassend voor een landschap dat zo intensief agrarisch wordt gebruikt.

In 2015 zijn in het Zuid-Hollandse Land van Wijk en Wouden 71 soorten bijen en 83 soorten zweefvliegen aangetroffen. Onverwacht hoge aantallen, gezien het intensieve agrarische gebruik van grote delen van het landschap. Sommige van de aangetroffen soorten waren nog niet of nauwelijks aangetroffen in Zuid-Holland of zijn zelfs landelijk zeldzaam. Voorbeelden van zulke bijzonderheden zijn de weidebij, de lathyrusbij, de distelbehangersbij, de kleine tuinmaskerbij en de gewone tubebij.

Het Groene Hart in Zuid-Holland staat niet bepaald bekend om zijn rijke biodiversiteit. De veeteelt met grote oppervlaktes monotoon weidegebied bepaalt hier in hoge mate het aanzien van het natte polderlandschap. Toch is juist in deze regio een project opgestart om een deel van het gebied om te vormen tot ‘Bijenlandschap’. De Provincie Zuid-Holland, bierbrouwerij Heineken en onderzoeksinstituut Alterra hebben vanuit hun samenwerking Groene Cirkels de handen ineen geslagen om een bloem- en bijenrijk landschap in te richten in het Land van Wijk en Wouden, een gebied grofweg tussen Leiden, Alphen aan den Rijn en Zoetermeer.

Groene Cirkel Bijenlandschap
Een grote verscheidenheid aan partijen doet inmiddels mee aan het Groene Cirkels Bijenlandschap: gemeenten, Rijkswaterstaat, natuurbeheerders, musea, bedrijven en particulieren. Op vele plekken worden maatregelen genomen in inrichting en beheer om de wilde bijenfauna te stimuleren. Vanuit Groene Cirkels is een Bijenvraagbaak in het leven geroepen waar men kan aankloppen voor adviezen. Om te kunnen meten of de genomen maatregelen het gewenste effect hebben op de bijenfauna wordt een monitoring uitgevoerd. Deze monitoring bestaat uit twee metingen: een nulmeting in 2015 (pdf; 8,4 MB) en een herhaling in 2018.

Hulp voor de bij is nodig
Dit is een goed begin, maar op veel plekken in de regio laat het aantal bijensoorten nog steeds te wensen over. De deelnemers aan het Bijenlandschap hopen dat de bijendiversiteit in 2018 op alle plekken toegenomen zal zijn. Een grotere diversiteit aan bijen en zweefvliegen betekent namelijk dat planten beter bestoven worden. De plantenrijkdom zal hier dus ook van profiteren. Een bijenlandschap helpt niet alleen de biodiversiteit. Ook een groot deel van onze voedselproductie is afhankelijk van bestuiving. Een bijenlandschap is dus goed voor biodiversiteit, voor onze voedselproductie én het ziet er ook nog prachtig uit.

Klik hier voor het origineel bericht

Europese onderscheiding voor Bee Deals van CLM met begeleiding door Food4bees

 

2015 EUROPEAN BEE AWARD:
Winners announced!
The Dutch project “Bee Deals” from the Centre for Agriculture & Environment wins the 2015 European Bee Award
The runner-up prize goes to the “Czech Bumblebee project” run by Agricultural Research Ltd

Standing from 23 applications, the project “Bee Deals” from the Centre for Agriculture and Environment (CLM) in the Netherlands has emerged as the winner of the 2015 European Bee Award edition. A particularly innovative approach, involving relevant actors (farmers, municipalities, retailers) along the food chain that commit to promoting bee-friendly practices in their daily activities . We have spoken with the coordinator Jenneke van Vliet, to learn more about the goals and roll-out of the project. Click here to read the interview!

 

2015 EU Bee Award – Interview Winner 2015(1)

Save the date!
The 2015 European Bee Award Ceremony and cocktail reception will be hosted by Franc Bogovič MEP, member of the 2015 European Bee Award jury and will take place
On: Wednesday, 9th December 2015
From: 15.00 onwards (15.00 – 18.00 Conference; 18.00 – 20.00 Award Ceremony)
At: Press Club Brussels Europe, rue Froissart 95 – 1000 Brussels
European Bee Award
The European Bee Award was launched for the first time in 2014 by the European Landowners’ Organization and the European Agricultural Machinery Association CEMA with the aim of contributing to the promotion of common solutions for the benefit of biodiversity. The European Bee Award rewards farmers, landowners, land managers or rural entrepreneurs who contribute with an outstanding and innovative project to the protection of bees and other pollinators in the farmed environment.