Blog

Op 12 oktober 2018 wordt aan de Europalaan in Boxtel bij nummer 20 een insectenhotel geopend.

Om 13.00 uur zal wethouder Peter vd Wiel en Jac Hendriks van Waterschap De Dommel het bijenhotel openen.

Het is op initiatief van bewoners: Miranda en Fred Bergman, met bescheiden hulp van Food4Bees.

Wat zoemt er in jouw achtertuin?

Denk jij bij ‘bij’ aan een vriendelijk geel-zwart insect? Dan weet je vast niet dat er in Nederland bijna 360 soorten wilde bijen voorkomen. Wij willen graag weten waar ze wonen en met hoeveel ze zijn zodat we ze beter kunnen helpen.

Doe mee!
Meedoen is makkelijk, ook als je niet zoveel van bijen weet. We nemen je stap voor stap mee bij het herkennen van de 20 bijensoorten die je eind april in je tuin kunt tegenkomen.

Klik hier voor het hele artikel

Sterfte in honingbijen laag en zonder eenduidige oorzaak

21-DEC-2016 –

De overleving van honingbijen in Nederland was zeer hoog in de winter van 2015/2016 (93,5%). De 6,5% sterfte van volken lijkt niet het gevolg van één enkele oorzaak.
Het Honingbijen surveillance programma onderzoekt de oorzaak van de wintersterfte en specifiek de rol van de imker, ziekten en plagen, chemische middelen, stuifmeelbronnen en het landschap waarin de bijen vliegen. Volken worden bemonsterd in het voorjaar en najaar. Na de winter worden dan van een selectie dode en levende volken alle factoren geanalyseerd zodat er verbanden tussen de factoren en sterfte of overleving gevonden kunnen worden. De onderzoekers vonden een aantal aanwijzingen die de hoge overleving kunnen verklaren.

De varroamijt en de imker
Bijenvolken overleven beter als de varroa-infectie laag is, en dat was het geval in de meeste bijenvolken die de onderzoekers bemonsterd hebben in 2015. Wel zien we dat volken waarin het virus DWV (deformed wing virus) aanwezig was iets kleinere overlevingskans hadden. Dit virus wordt overgebracht door de varroamijt en is dus een indirecte aanwijzing voor varroa-infectie. Het virus is gevonden in de meeste volken. Goede bestrijding van varroa is een belangrijke voorwaarde voor de overleving van honingbijenvolken.

Chemische middelen
Neonicotinoiden en andere chemische residuen hadden geen relatie met wintersterfte van de bijenvolken. Negen chemische stoffen (van de 36 geteste) werden aangetroffen in wintervoer voor de bijen, drie door imkers gebruikt voor mijtbestrijding, de andere in de land- en tuinbouw voor plaagbestrijding.

Stuifmeelbronnen
Volken waarin het opgeslagen stuifmeel voor een groot deel bestond uit klaverstuifmeel hadden een iets lagere overleving dan de andere volken. Klaversoorten zijn zeer goede voedselbronnen voor bijen en klaverbloemen worden zeer veel bezocht. Dit moet nog beter onderzocht worden. Het is onwaarschijnlijk dat het klaverstuifmeel zelf een negatief effect heeft. Het is waarschijnlijk dat andere eigenschappen in het landschap daarmee samenhangen. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat de hoeveelheid voedsel in die landschappen niet toereikend is of dat de plaatsen waar de klaver groeit anderszins nadelige effecten opleveren voor honingbijen.

Het foerageerlandschap
Het landschap rond de bijenvolken is van belang voor de overleving. Zeer diverse landschappen met versplinterd landgebruik hadden een licht negatief effect op de overleving van het volk. De meeste Nederlandse landschappen waarin bijenstanden staan hebben een zeer gevarieerd landgebruik (gemiddeld meer dan negen verschillende categorieën landgebruik binnen een straal van één kilometer). In landschappen die extreem divers, en dus zeer gefragmenteerd, zijn bleken de honingbijen het iets minder goed te doen dan in andere landschappen.

Honingbijen Surveillance programma
Het Honingbijen surveillance programma stelt de wintersterfte in honingbijen in Nederland vast en heeft tot doel de oorzaken te ontrafelen die de wintersterfte kunnen verklaren. Hiervoor gebruiken onderzoekers twee methoden. Ten eerste de Wintersterfte Monitor, een vragenlijst die wordt gestuurd naar een random steekproef van imkers. Ten tweede het Honingbijen surveillance programma. Hierin worden van een gestratificeerde steekproef van de Nederlandse bijenhouders in het veld bijenvolken bemonsterd voor nadere analyse in het laboratorium. Dit programma wordt gecoördineerd door Naturalis, de monstername en het analyseren op ziektes wordt door Bijen@WUR gedaan en Wageningen Environmental Sciences (Alterra) zorgt voor de analyse van het stuifmeel.

Tekst: Naturalis Biodiversity Center

Klik hier om naar het origineel artikel te gaan

Voor het eerst is het in Nederland mogelijk om biologische honing te oogsten. Eric van Oijen, imker van Imkerij Het Groene Woud en voorzitter van de Vereniging van Biologische Imkers, heeft zich ingezet voor de totstandkoming van de biologische regelgeving en heeft als één van de eerste imkers het certificaat verworven. Op 9 en 10 juli, op beide dagen van 10.00 tot 16.00u, opent de imkerij aan de Hezelaarse Akkers 1 in Liempde haar deuren.

Er komt het nodige bij biologisch imkeren kijken. Het belangrijkste is dat de bijen op een locatie staan waar veel onbespoten bloemen staan, uit de natuur, uit de biologische landbouw en hopelijk ook steeds meer uit openbaar groen en je eigen tuin. Op de open dagen zal er uitleg zijn over biologisch bijenhouden en uiteraard ook over de bijen, zowel de door de imker gehouden honingbij als de wilde bijen. Eric van Oijen is bijenteeltleraar, honingkeurmeester en coördinator van Stichting Food4Bees, een stichting die zich inzet voor de verbetering van de leefomgeving van bijen en daarmee ook voor onze eigen omgeving.

Honing uit het nest van een bijenvolk is een weerspiegeling van hoe wij als mens omgaan met ons eigen nest, de aarde waarop we leven.

Op de imkerij kun je kijken bij een natuurbouwkast en ook, goed zichtbaar achter glas, naar de bijen in een demonstratie kast. Zowel voor kinderen als voor volwassenen blijft het fascinerend om de bezige bij te zien. Biologische honing zal er uiteraard zijn en ook andere bijen producten. Wees welkom, voor een verhaal, met een lekker hapje en drankje. En ga na afloop naar huis met een andere kijk op het voedsel wat je eet en de omgeving waarin je woont.

Klik op onderstaande link voor het gehele bericht.

Nieuwsbericht Open dagen bij Imkerij Het Groene Woud 9 en 10 juli

Start project ‘Bloeiende Kempen’ voor wilde bijen

Op initiatief van Stichting Food4Bees slaan zes gemeenten in de Kempen de handen ineen om in 2016 een extra impuls te geven aan het leefgebied van wilde bijen. Wilde bijen zijn belangrijk voor de bestuiving van wilde bloemen en landbouwgewassen. En als het goed gaat met de bijen, dan leven we in een schone en gezonde omgeving waarin het ook goed gaat met mensen, dieren en planten.

De gemeenten Oirschot, Hilvarenbeek, Reusel-De Mierden, Bladel, Bergeijk en Eersel hebben in samen- werking met Stichting Food4Bees het projectplan ‘Bloeiende Kempen’ opgesteld. Het doel van dit plan is: “Verbetering van het leefgebied van de bijen en andere bestuivende insecten in de Kempen. Het richt zich op structurele bij-vriendelijke inrichtingsmaatregelen. Hierbij ligt het accent op het realiseren en verbeteren van verbindingen tussen en met natuur- en bloemrijke gebieden die voor wilde bijen en vlinders van grote betekenis zijn.”

Verdeeld over de zes deelnemende gemeenten worden er circa 20.000 stuks drachtstruiken en –bomen aangeplant. In bermen en losse percelen met een oppervlakte van totaal 4,5 ha worden inrichtingsmaatrege- len getroffen, zoals bijvoorbeeld het inzaaien van bermen met bloemmengsels. Deze maatregelen worden getroffen omdat deze bermen en percelen als stapstenen, de geschikte leefgebieden voor de wilde bijen met elkaar verbinden. Daar profiteren niet alleen bijen van, maar ook veel andere insecten, vogels en kleine zoogdieren. De oplevering van dit gezamenlijke project vindt plaats omstreeks het einde van het eerste kwartaal van 2017. Tijdens de oplevering worden zes grote insectenhotels overhandigd aan de wethouders van de deelnemende gemeenten. Een insectenhotel is een houten constructie wat een nest- en rustplaats biedt voor diverse insectensoorten. Het biedt een compensatie voor het gebrek aan nest- en overwinterplek- ken voor insecten. Dit gebrek is ontstaan door de verstoring en de afname van hun natuurlijk leefgebied.

In het kader van het provinciale Meerjarenprogramma Bijenimpuls is op 28 april 2016 een subsidie ontvan- gen voor dit project. Deze subsidie is toegekend door de provincie Noord-Brabant. Hiermee is het project ‘Bloeiende Kempen’ officieel gestart.

 

 

logo's project Bloeiende Kempen

 

 

Rozen zijn rood, viooltjes zijn blauw, dat weet iedereen maar hoe komt dat nou?

 

Plantenkwekers kennen inmiddels verschillende genen die een rol spelen bij bloemkleur, maar er bestond nog geen kwantitatief onderzoek naar de manier waarop verschillende pigmenten rode, blauwe of gele bloemen opleveren.
Casper van der Kooi deed dat wel, door biologie en natuurkunde te combineren.

In een artikel dat op 11 mei verscheen in Proceedings of the Royal Society B beschrijft hij het proces waarmee celstructuren in de bloembladeren het licht verstrooien en hoe pigmenten teruggekaatst licht filteren en zo kleuren produceren. ‘Wij hebben onlangs al een wiskundig model gepubliceerd dat kleurvorming beschrijft, en in dit nieuwe artikel passen wij dat toe op een aantal planten’, zegt Van der Kooi. Hij combineert zijn resultaten bovendien met informatie over het visueel systeem van insecten, wat inzicht geeft in de anatomische trucs waarmee planten hun bestuivers aantrekken.

Planten moeten zichtbaar zijn voor insecten, dus het reflecteren van licht is belangrijk. Toch bleek uit de metingen van Van der Kooi dat een armzalige 20 tot 50 procent van het licht wordt teruggekaatst. De rest gaat door de bloemblaadjes heen. Dat maak ze mooi doorschijnend, maar wat heeft de plant daar aan? ‘Niets, voor zover wij weten. De meeste insecten bekijken bloemblaadjes alleen van boven.’ Er zijn maar twee verklaringen: bloemen zijn simpelweg niet in staat meer licht terug te kaatsen, of het levert geen voordeel op om dat te doen.

Het onderzoek van Van der Kooi laat zien dat er een grote variatie zit in de hoeveelheid licht die door bloemen wordt verstrooid. Dat de bloemen niet meer kunnen terugkaatsen, lijkt dan ook niet aannemelijk. ‘En we weten dat het visuele systeem van insecten corrigeert voor verschillen in lichtintensiteit. Dat is een belangrijke aanpassing, die insecten nodig hebben wanneer zij van een donker bos naar een lichte weide vliegen. Ze zoeken bloemen dan ook op tint en kleurverzadiging, niet op helderheid.’ Dus is het genoeg om de helft of minder van al het licht terug te kaatsen, zolang dat licht maar de juiste tint heeft dankzij de pigmenten.

Maar het aanmaken van pigmenten is een kostbare zaak, dus te veel pigment produceren is niet handig. Daarom liggen pigmentkorrels in laagjes, zodanig dat hun effect maximaal is. ‘Planten die dicht bij de grond bloeien, zoals het Robertskruid, hebben alleen pigment aan de bovenkant van de bloembladeren.’ Maar bloemen die van alle kanten insecten moeten aantrekken, zoals klaprozen, hebben pigment aan beide zijden.

Van der Kooi beschrijft hoe de concentratie en lokalisatie samen met de interne structuur van de bloem de kleur vormen. ‘Wij zijn de eersten die dit fenomeen hebben bestudeerd’, zegt hij. ‘Dat komt vooral doordat ik kon samenwerken met zowel biologen als natuurkundigen met een belangstelling voor kleur. Dat is een ongebruikelijke combinatie in dit onderzoeksveld.’

Maar los van de nieuwigheid, wat kan hij met deze resultaten? ‘Die zouden van belang kunnen zijn voor kwekers, aangezien wij een aantal nieuwe mechanismen beschrijven die de kleur van planten beïnvloeden.’ Bovendien zijn de modellen die Van der Kooi ontwikkelde interessant voor evolutionair onderzoek. ‘Ons werk kan een verklaring opleveren voor de vraag hoe vanwege verschillen in lichtomstandigheden, zoals in een bos versus een weide, de kleuren van bloemen op verschillende wijze vorm krijgen.

Door ook het visueel systeem van insecten erbij te betrekken kunnen we verklaren hoe bloemen hun kleur afstemmen op specifieke bestuivers. Dit soort fenomenen is al eerder onderzocht, maar nooit zoals wij deden met kwantitatieve methoden.’

Tekst: Rijksuniversiteit Groningen

klik hier voor het origineel artikel